donderdag 17 april 2008

Over pinguins, mensen en hekken

Pinguïns zijn net mensen. Ze trekken weg als er te weinig te eten is. De eerste pinguïns die in 1983 in Simon’s Town kwamen, een havenplaats aan False Bay ten oosten van het Kaapse schiereiland, waren economisch vluchtelingen. Aan de westkust, waar ze vandaan kwamen, was op dat moment geen eten voor ze. Door overbevissing waren alle sardientjes op. En in Simon’s Town was het kennelijk goed toeven: veilig, genoeg te eten, en een goeie plek om kinderen groot te brengen. Nu zijn ze met vierduizend een toeristische attractie van jewelste. Dat ging niet zonder slag of stoot. De autochtone bevolking protesteerde aanvankelijk heftig omdat de pinguïns in hun tuinen kwamen, een hoop lawaai maakten en hun huisdieren lastig vielen. Maar een hek deed wonderen. De bewoners hadden geen last meer van de vluchtelingen, en de pinguïns zaten in een overzichtelijk gebied waar je een looproute in kon aanleggen en een kassa voor kon zetten. Pinguïns tevreden, mensen tevreden.

Net als pinguïns deden, vertrok Jan Alkema in 1935 uit Harlingen omdat er niet meer voldoende eten was. In november 1934 schrijft hij in een brief aan zijn broer, die naar Canada was gemigreerd: “Zo langzamerhand beginnen we in te zien, dat wanneer we blijven voortleven op dezelfde voet als voorheen ons kapitaal steeds inteert. De kapitaalsvermindering was per jaar over de jaren 1931-32-33 ongeveer f 2000. Wanneer het slechts enigszins te zien was dat Harlingen in welvaart vooruit ging zou men nog andere overwegingen kunnen hebben. Het tegendeel is het geval: Harlingen gaat in ’t geheel Stavooren achterna. … ik zal m’n weg door het leven ergens anders moeten zoeken…” En dat deed hij. Hij ging naar Zuid Afrika, vond daar voldoende werk om te kunnen eten en kinderen groot te brengen en mengde zich tussen de blanken die daar al woonden.

Maar wat de pinguïns wel goed afging – vreedzaam samenleven met de autochtone bevolking – mislukte bij de blanken in Zuid Afrika. Daar kon niet zo makkelijk een hek om gezet worden. Hun drang om steeds maar meer te willen, werd niet ingedamd. Integendeel: zij zetten juist een hek om de autochtone bevolking. Zo werkt het dus niet. Maar hoe dan wel?

Misschien zouden mensen wat van pinguïns kunnen opsteken? De eerste pinguïnles lijkt me dat je moet leren leven met je tekorten. Ondanks hun onbeholpen loopje zijn pinguïns trotse, maar zeker geen hooghartige beesten. Ze lijken onhandig in elkaar te zitten, maar daar trekken ze zich niets van aan. Ze zijn niet gemaakt om te lopen, zo lijkt het, maar toch kunnen ze met geheven borst prachtig paraderen. Ze hebben wel vleugels, maar zijn niet gemaakt om te vliegen. Geen nood, dan leggen ze hun eieren wel op de grond. Even wat zand wegvegen, en het nest is klaar. En door hun zware botten is hun drijfvermogen ook al niet zo best. Maar al die schijnbare tekortkomingen veranderen in hun tegendeel al ze diep onder water zijn. Dan zijn het net torpedo’s, zo snel als ze gaan. Maar ze willen ook graag aan land. En dan is het roeien met de riemen die je hebt. En dat doen ze met flair.

Pinguïn les twee: eeuwige trouw. Pinguïn paren blijven hun hele leven bij elkaar. En daar lijken ze heel tevreden mee. Niet steeds maar meer, en steeds maar iets anders.

Les drie: gelijke taakverdeling. Het pinguïnvrouwtje legt dan wel de eieren - meestal niet meer dan twee, in een a twee dagen achter elkaar -, maar daarna gaan man en vrouw er even lang op broeden. Om de tweeeneenhalve dag wisselen ze elkaar af. Gaat de ene broeden, duikt de ander in het water en gaat op jacht. Na zo’n zwemperiode komt het mannetje, of vrouwtje, de zee uitstappen en loopt zigzaggend tussen de nesten van anderen op zijn eigen nest af. Onderweg een houtje meepikkend, alsof ze op het laatst nog iets voor thuis willen meenemen. Dat maakt de thuiskomst nog spannend, want de buren doen verwoede pogingen om dat houtje af te pakken. En als de thuiskomer met zijn houtje bij het eigen nest komt, laat hij het achteloos in het nest vallen. De partner had hem al zien aankomen en heft haar kop. Als de thuiskomer zijn plek op het ei inneemt, strekt de ander zich helemaal uit, flapt met de vleugels, kijkt in het rond, aarzelt nog even, loopt dan statig waggelend de zee in, houdt de kop nog even als een duikboot boven water, en verdwijnt dan uit zicht, om 60 uur later zijn broedtaak weer over te nemen. En als ze eerder terugkomt, liggen ze nog even naast elkaar, tot het tijd is voor de wissel.

Na 40 dagen breken de baby pinguïns uit hun schalen, en voeden pa en ma ze 30 dagen om de beurt met half voorverteerde visjes. Dan is het tijd om afscheid te nemen en zoeken de kinderen gezelschap van hun leeftijdgenoten om met hen verder te gaan en na een jaar of drie een partner uit te zoeken.

Samenwerken dus, én ieder zijn eigen leven. Zo af en toe moet iemand een hek plaatsen, dat wel. Tot hier en niet verder. Dat deed de VOC ook toen het nog goed met ze ging. De Van der Stellen (gouverneurs in de 17e en 18e eeuw) boerden zo goed met hun grote wijnboerderijen dat ze er steeds meer slaven op na gingen houden (ze hadden er op een gegeven moment 200 en mochten er maar 20, want slaven waren op rantsoen, omdat ze helemaal uit Azië gehaald moesten worden). Bovendien eigenden ze zich het alleenrecht toe om te vissen in de False Bay. Dat zette kwaad bloed bij de andere bewoners. Waarop de VOC verordonneerde dat de Van der Stellen terug moesten naar Nederland. Maar ze hebben wel een mooi landgoed achtergelaten, waar de Clintons nog logeerden.

Het kan raar lopen als je niet op de juiste tijd en plaats een hek zet. Zoals de blanke immigranten die eerst de autochtonen achter hekken zetten, en nu zichzelf. Dat is niet helemaal goed gegaan. Waar de hekken wel gezet moeten worden, is nog even uitzoeken.

1 opmerking:

Anoniem zei

proef